?

Wat betekent een Mulderbeschikking onder de Wet Mulder: enkele kritische reflecties.

Mulder en de rechtsstaat.jpg

U hebt een Mulderbeschikking ontvangen van het CJIB. Rechtsboven vindt u de letter ‘M’. De ‘M’ staat voor Mulder, naar de geestelijk vader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, de Wet Mulder. Wat bepaalt deze wet nu allemaal? In dit blog vindt u een goede uitleg en een aantal kritische kanttekeningen.

Kwaliteit kantonrechtspraak
Toetsing aan de Wet Mulder gebeurt door kantonrechters. Dat gaat niet altijd even vlekkeloos. Het komt geregeld voor dat een kantonrechter een wezenlijke beroepsgrond onder de Wet Mulder in het geheel niet beoordeelt. Recentelijk ontving de auteur nog een niet gepubliceerd arrest van het Hof d.d. 23 december 2019, zaaknr. 200.243.268:

‘Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de motivering van de beslissing van de kantonrechter er in geen enkel opzicht blijk van geeft dat voormeld verweer (…) door de kantonrechter is betrokken in zijn beoordeling van het beroep. Naar het oordeel van het hof kan de motivering van de beslissing van de kantonrechter daarom niet als deugdelijk gelden. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter om die reden vernietigen.’

Vergelijk in dit verband ook het arrest van het Hof d.d. 1 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4612. Indien een betrokkene het niet eens is met een Mulderbeschikking, moet het beroep goed worden beoordeeld en dit betekent logischerwijs bespreken van essentiële beroepsgronden.

Naast het niet beoordelen van beroepsgronden, betreft ook de thematiek van de volledigheid van het dossier een punt waar menig uitspraak op sneuvelt. Het gaat dan concreet om de informatieplicht voorvloeiend uit art. 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit zijn de stukken waarin de voor de sanctieoplegging relevante gegevens (moeten) zijn vermeld respectievelijk die de verbalisant voor de oplegging van de sanctie heeft gebruikt. Over deze gegevens moet de officier van justitie, bij de beslissing op het administratief beroep, kunnen beschikken, onafhankelijk van hetgeen in administratief beroep is aangevoerd.

Het komt geregeld voor dat een foto in – bijvoorbeeld – een parkeerzaak pas aan de kantonrechter wordt verstrekt of soms zelfs pas in hoger beroep (bij het verweerschrift van de gemachtigde van de advocaat-generaal). Dit zou moeten leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier. In bijzondere gevallen moet dit leiden tot vernietiging van de Mulderbeschikking, omdat betrokkene in zijn verdedigingsbelangen wordt geschaad.

Verder is er nog het reeds sinds lange tijd terugkerende punt van het achterwege laten van het horen, waar het Hof zo vermoeid van is geraakt dat het volstaat met de overweging dat beslissing van de officier – en vaak dus ook dat kantonrechter – wordt vernietigd op grond van ‘bestendige, bekende en niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt’. Circa elf jaar nadat het Hof overwoog dat schending van de hoorplicht niet gepasseerd kan worden met 6:22 van de Awb, zijn er nog steeds kantonrechters die schending van de hoorplicht passeren omdat ‘betrokkene door het achterwege laten van een hoorzitting niet is benadeeld’.

Kwaliteit Mulderafdoening kantonfase
In de vorige paragraaf heb ik betoogd dat de kantonrechtspraak steken laat vallen. Dit vormt een belangrijke stijging voor het aantal hoger beroepen. Ook de afdoening van een Mulderzaak gedurende de kantonfase bij een aantal rechtbanken verdient aandacht. Te beginnen met een punt dat tot zeer veel ergernis leidt bij rechtsbijstandverleners en dat is het zogenaamde ‘aanhouden’ van zaken. Tot medio 2016/2017 verleende het Hof niet sporadisch de gemachtigde van de advocaat-generaal de gelegenheid om een nadere verklaring van de verbalisant in het geding te brengen of andere relevante documenten voor de beoordeling van de zaak. Daar is het Hof – medio 2018 – van afgestapt. De dragende redenering is even simpel als gerechtvaardigd: er bestonden voldoende kansen voor het OM een dergelijk stuk te overleggen, dat is niet gebeurd en dat komt voor rekening van het OM.

Deze redenering vindt men ook terug in de klassieke bestuursrechtelijke rechtspraak, ontleend aan art. 8:58 van de Awb. of in meer fundamentele zin het beginsel van equality of arms (gelijke proceskansen). De thans gevolgde redenering van het Hof lijkt mij niet meer dan redelijk en moet worden overgenomen door de kantonrechters. Bij de kantonrechter heeft de officier vaak al meer dan een halfjaar de tijd gehad om zich te verdiepen in het betoog van een betrokkene. Er zijn verder diverse momenten waarbij de officier op grond van de wet gehouden is het betoog van betrokkene aandachtig te bestuderen, namelijk bij het nemen van zijn beslissing op het beroep (art. 7:26, eerste lid, van de Awb, vereist dat de officier zijn beslissing ‘deugdelijk’ motiveert), en bij de verplichte heroverweging voordat de officier de zaak doorzendt naar de kantonrechter (art. 11 van de Wahv).

Wob versus de Wahv
Een recent meervoudig arrest dat veel vragen oproep betreft het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 23 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10797, betreffende bevoegdheid van een verbalisant. Het Hof overwoog, voor zover hier relevant (opmaak NV):

Ten aanzien van op de Wob gebaseerde verzoeken om informatie die betrekking heeft op een opgelegde verkeersboete, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in verschillende uitspraken geoordeeld dat misbruik van de Wob is gemaakt, indien om informatie over een verkeersboete wordt verzocht en het doel van het verzoek redelijkerwijs slechts gelegen kan zijn in het aanvechten van de verkeersboete. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de noodzaak om voor een correcte beoordeling van een verkeersboete over bepaalde stukken te beschikken, in het geval er redelijkerwijs twijfel bestaat over aspecten waarop die stukken betrekking hebben, deel uitmaakt van de beoordeling van de boete in administratief beroep of in de procedure bij de bevoegde rechter. Dat oordeel brengt op zichzelf niet mee dat op grond van de Wob bij het orgaan dat daartoe gehouden is niet in meer algemene zin, dat wil zeggen niet ten behoeve van het voeren van een procedure tegen een verkeersboete, maar wel vanuit het aan de Wob ten grondslag liggende beginsel dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie, stukken kunnen worden opgevraagd die zien op de bevoegdheid van (opsporings)ambtenaren. In dat verband merkt het hof nog op dat de Wahv voor wat betreft de mogelijkheid om over dergelijke stukken de beschikking te verkrijgen geen voorliggende voorziening vormt ten opzichte van de Wob. Het oordeel welke stukken als op de zaak betrekking hebbend in de Wahv-procedure moeten worden aangemerkt is aan de officier van justitie, de kantonrechter en het hof. Hetgeen de Afdeling met betrekking tot de Wob heeft geoordeeld is daarvoor niet bepalend.

Een burger die wil beoordelen of een verbalisant beschikt over de juiste papieren om een Mulderbeschikking op te leggen – voor een Buitengewoon opsporingsambtenaar (Boa) betreft dat de akte van beëdiging en voor een verbalisant van de politie een akte van aanstelling¬ – wordt door de officier van justitie verwezen naar de opsporingsinstantie, doorgaans de politie of een gemeente. De politie publiceert actief dergelijke aktes, gemeenten doet dat niet. Wat nu te doen als de informatie niet is gepubliceerd? Een verzoek bij de opsporingsinstantie lijkt dan de aangewezen route.

Een verzoek om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid wordt naar zijn aard als ‘Wob-verzoek’ aangemerkt (zie art. 3 van de Wet openbaarheid van bestuur; Wob). De artikelgewijze toelichting behorend bij art. 3 van de Wob geeft aan:

Voorop staat dat elk verzoek om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid dient te worden aangemerkt als een verzoek op grond van de WOB. Bij een verzoek om informatie behoeft dus niet uitdrukkelijk een beroep op de WOB te worden gedaan.

Nu heeft de Afdeling bij herhaling en in niet te misverstane bewoordingen overwogen dat een Wob-verzoek in een Mulderzaak neerkomt op misbruik van recht (zie de uitspraak van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3581, 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2239 en 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4310).

Gaat het Hof nu met zijn overweging ‘dat hetgeen de Afdeling heeft overwogen hiervoor niet bepalend is’ uitdrukkelijk in tegen de rechtspraak van de Afdeling? Of wil het Hof iets anders uitdrukken? Hoe het ook zij, een verzoek om informatie wordt door de politie niet in behandeling genomen en door gemeenten zelden. Als daarover wordt geprocedeerd komt men uiteindelijk bij de Afdeling terecht en die laat er bepaald geen gras over groeien.

Een burger jegens wie inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht, zou het recht moeten hebben te toetsen of dit gebeurt door een daartoe bevoegde verbalisant. Dat een verbalisant beschikt over een uniform, in een dienstvoertuig rijdt en een beschikking kan opleggen, maakt hem hiertoe nog niet bevoegd. In een rechtstaat bepaalt de wet onder welke omstandigheden een verbalisant bevoegd is. Gelijk aan het Hof overwoog (r.o. 11 en 12 van het bevoegdheidsarrest), is hiertoe niet anders van belang dan de akte van beëdiging, respectievelijk de akte van aanstelling. De burger moet op de een of manier de mogelijkheid hebben dit stuk te achterhalen.

mr. N.G.A. Voorbach, oprichter van verkeersboete.nl. Dit blog is geschreven op 14 april 2020.

Eindnoten ter nadere verduidelijking en onderbouwing

https://www.ad.nl/binnenland/hoger-beroep-tegen-verkeersboete-loont-maar-kost-veel-tijd-en-energie~ab378004/ en AG Harteveld 26 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1201 r.o. 10.2

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1050 r.o. 14 en Hof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1320 r.o. 3
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10131 r.o. 3
Hof Leeuwarden 28 oktober 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1036
Vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4776
Vergelijk ABRvS d.d. 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2017:1704
Politie.nl/wob
Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3. p. 23. Zie eveneens: ABRvS d.d. 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2324.
Zie ook de noot van de redactie van Kluwer (V-N 2019/59.18)
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2074 en 29 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:772
Hof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2019, zaaknr. 200.247.658 (niet-gepubliceerd).